De kinderen die de profeet Eliza lasteren, van beeren verscheurt.
Eliza wordt in 't bosch voor kaalkop uitgekreeten.
Zijn hooft is arm van hair: maar rijk van schranderheidt.
Zwijg, goddeloozen, zwijg, of laster geen profeeten.
Een die het water, door zijn rok, in tweën scheidt,
En droogvoets over komt, heeft macht om zich te wreeken.
De wraak is heiligh die het quaadt der boozen stuit.
Wie Godtsgezanten scheldt is goddeloos in 't spreeken.
Vlucht, woeste kindren, vlucht, het vast gebergt ontsluit,
En baart hier beeren, om uw leeden aan te randen.
Dit is geen schildery; 't is leeven dat ik zie.
Waar schuil ik voor de beet van haar verwoede tanden;
En klaauwen scherp van punt? indien ik weerstandt bie,
Zoo ben ik leevenloos. o hemel help my raade!
Wie Godt, in noodt, aanroept, heeft hoop op Godts genaade