De zeste
Is achter hoog opgeboeit en met gevleugdele kinderen versiert, die met kluisters,
zwaarden, stroppen en allerleye strafgereetschappen gelaaden zijn: in 't midden en
voor isze met vuilnis, mest en andere onreinigheeden besmeert. Op 't achter-endt
vertoont zich Gerechtigheidt; in haar rechtehandt heeft zy een blaauwe staf, daar een
schaal een hangt; in de slinke een zwaardt. Geweldt, Staatzucht, Bedrog en andre
landtpesten, die d'armen op de rug geslooten zijn, zitten voor op de waagen, in de
schaaduw van een galg en rat.
't Verwoestende Geweldt, en Staatzucht heet naar kroonen,
En 't eerelooz' Bedrog, zijn weeder aan de bandt.
Gerechtigheidt, de zuil der koninglijke troonen,
Verschijnt met schaal en zwaardt, tot heil van Stadt en Landt.
Zoo valt de Boosheidt als zy 't hooft te hoog wil steeken.
De wraak, die langzaam komt, is vaardigh in het wreeken.