Skip to content
1662

Alle de gedichten. Deel 1

Jan Vos

De Wel-Ed. Ed. Grootachtbare Heeren, Myn Heeren Dr. Frans Banning Kok, Ridder der ordre van S. Michiel, Heer van Purmerlandt, Ilpendam, &c. Kornelis Bikker, Heer van Swiete, &c. Joan Huidekooper, Ridder, Heer van Maarseveen, &c. Dr. Nikolaas Tulp; Regeerende Burgermeesteren der Stadt Amsterdam.

Beroemde Hoofden van de Hooftmarkt aller steede'! Ik zal niet zeggen dat gy Katoos in de vreede, Noch Cezars in de krijgh van Neederlandt verstrekt: De Faam, door zulk een klank, aan d'Amstel opgewekt,

Verbreit, waar datze vliegt, uw lof in alle talen. De Wijsheidt laat zich van geen enkel landt bepaalen. Zoo wort de kerker der vergetelheidt verplet, En d'opgslooten Deught voor elk ten toon gezet. De Deught ontworstelt hier 't geweldt der woeste tyen. Vergun dat ik voor u mijn stomme schilderyen Doe spreeken door rnijn pen, de mondt van 't groot penseel. Op Vaaders van het Y, de Markt is mijn panneel: Ontslaa u voor een poos van uw' bekommeringen. De vlooten zullen nu elkaâr niet meer bespringen. De Tweedraght, die het Landt lest dreighd', is nu verby. De Straf die godlijk is, verdelgt de muitery, Tot schrik de schelnien en meineedig' onderzaaten. Zoo wordt het Recht hehoedt tot heil der zeven Staaten. Vernuft en Dapperheidt zijn starker dan Gewelt. De rust, de kracht van 't Landt, is door u raadt herstelt. Laat uw gedachten dan op mijn Parnassus stijgen. Toen Roome, root van moort, de dolle burgerkrijgen Ten ende hadt gebroght, ontfing 't haar Vorst August, Die 't vuur van Staatkrakeel in bloedt en traanen blust', In 't midden van haar Burg, en toonden hem zijn daaden. Men wil het oor en oogh, bywyl, door kunst verzaaden. De zorgen voor 't Gemeen verpoost men door 't tooneel Hier doet zich d'afgrondt op, om uit haar g1oênde keel Een spook te braaken, dat de harten zal verdeelen. De hel is bronaâr van vervloekte landtkrakeelen. Nu gaat de V loot in zee. Neptunus zwemt in bloedt, En dobbert in de doôn. de Rijkdom, d'Overvloedt, En Neering zyn aan 't vliên. nu ziet men 't Landt verstarken, Door 't goddelijk verbont van 't fiere Denemarken: Die Leeuw, met rneer dan twee maal zeven harten, hecht Zich aan die Leeuw, die, door zyn zevenpylen, 't Recht Van Neederlandt beschermt. nu sneuvelen de Grooten: Die moordtschuldt wort betaalt met woênde donderklooten,

En blixemstraalen van 't wraakgierige meetaal. De woekerende Wraak ontziet noch vuur, noch staal. Het langste leeven is voor 't vaderlandt te sterven, Gy zult de Vreede, die de Steeden ziet bederven, Haar troon zien openen, tot heil van Teems en Y. Nu ziet men 't vrye Landt. Al wat myn schildery In zich verburgen heeft, zal u de dichtkunst mellen. O Vaaders, die de zeen door wijsheidt hulpt herstellen! Bespiegel ons Parnas: haar Hooftpoëeten zyn Om, wie op 't Kussen met drie kruisen hun fenyn Uitspuwen, door gedicht, voor 't hollen te betoomen, De Dichters veeders doen de lastermonden schroomen. Zoo laat men 't quaat uit vrees daar welraân wordt veracht. Geen scherper geeselroê dan een getergde schacht.

Uwer Wel-Ed. Ed. Groot-achtbaarheeden onderdaanighste en verplichtse dienaar

Jan Vos

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Alle de gedichten. Deel 1 · Jan Vos · Poetry Cove