Lukretia deursteekt zich, door G. F. geschildert.
Bedaar, Lukrees, bedaar. wilt gy uw moordtster weezen?
Wie dat zich zelf vermoordt wordt van de goôn veracht.
Uw onschuldt kan men uit uw traanend' oogen leezen.
Lukrees is niet onteert, haar lijf is slechs verkracht.
Waar dat de wil ontbreekt, wordt ook geen ziel bevonden.
De zondt is dochter van het eerelooz' misdrijf.
Waar niet misdreeven is bevindt men ook geen zonden.
Wie 't lijf door kracht verkracht, besmet niet dan het lyf.
Zy steekt, o ramp! zy valt. zy schijnt in bloedt te drijven.
Op, Kollatinus, op, op, Brutus, Brutus, op:
Gy doet de vryheidt met deez' rooden int beschrijven.
Wie dat een grondtvest leit geraakt in 't endt aan 't top.
Verdelg Tarquinus hof door 't spits van uwe deege.
Wie dat het volk bevrijt verkrijgt de grootste zeege.