Thisbe deursteekt zich by &c. door N.P. geschildert.
Toef, Thisbe, toef, ey toef! de moordtsteek zal u rouwen.
Die flus de leeuw ontliep vreest die nu voor geen staal.
De min is blindt in ramp: maar allermeest in vrouwen.
Die onlangs al de nacht te kort vondt tot onthaal,
Vindt die een uur te lang om 't sterven op te schorten?
Wie wijs is zal zijn brandt niet blussen door zijn bloedt.
De liefde toont haar smart door traanen uit te storten.
Verdrenk u droefheidt in een zuivre traanevloedt.
Toef, Thisbe, 't is te laat: de doodt verjaagt het leeven.
O diepe moordtwondt! neen: 't is slechts een ydle wondt:
Want Thisbe heeft geen ziel, zy heeftz' al lang gegeeven
Aan haaren bruidegom; deez' heeftz' uit haare mondt,
Dwars deur de muurreet heen, tot in zijn hart gezoogen.
Zy leefde door haar bloedt; het bloedt door groote hoop;
De hoop door heete min. de min heeft groot vermoogen.
De liefde hadt deez' twee gebonden door een knoop:
Maar ach! het zwaardt des doodts heeft deeze bandt ontbonden.
De Doodt is wreeder dan de minneschicht in 't wonden.