De tweede waagen
Is achter met Stroomgooden versiert, die op hun potten, daar het water uit komt
bruizen, met hun armen rusten, en rondtom van lis en ruiggewasch bewossen.
Gelderlandt laat zich op deeze voort rijden: zy heeft Nimmegen, Arnhem, Zutphen,
Diane en twee Jaghtnimfen by zich.
Hier toont zich Gelderlandt in 't midden van haar Steede'.
Haar krijgsroem is niet min dan Adeldoom vermaart.
Zy zwaaiden 't lemmet om d'olyftak van de vreede.
Wie om de vreede vecht betoont zich braaf van aart.
Zy keerden 's vyandts heir en deedt ook oorlogstochten.
De zeege wordt niet dan door dapperheidt bevochten.