Skip to content
1662

Alle de gedichten. Deel 1

Jan Vos

In de Vertooning voor 't Spel Vertoont zich de Hartogh van Alba, in 't harnas, op zijn staatcywaagen. de Krijgsfortuin staat achter op. hy wordt van Wraakgierigheidt en Bloedtdorstigheidt voortgetrokken. de Staatzucht heeft de toom om te mennen. de waagen wordt gevolgt van Dwinglandy, Roovery, Moordtdaadigheidt, Geveinstheidt, Trouweloosheidt, Stookebrandt, Bedrogh, Schrik, Vrees, en alle gruwelijkheeden. Aan de slinke zy, worden Gerechtigheidt, Maatigheidt, en Eendracht, door Geweldt, Verwoedtheidt en Tweedracht, met strop, roer en deegen gedreigt. de Neederlanden, die hy te moet komt rijden, worden, door de Stoutheidt, schoon dat zy voor hem knielen, met keetens aan elkanderen geslooten. De Rijn, de Maas, de Scheldt, d'Yssel, d'Aamstel, de Vecht, het Spaar, en andere Stroomgooden en godinnen zijn voor zijn komst verbaast. Pallas komt by de Vryheidt, die verscheide eedelen en ingezeetenen by zich heeft, en raadt haar te vluchten. de Voorzichtigheidt wijst hen de wegh.

De woedend' Alba toont zich op zijn staatcywaagen. De Neederlanden zijn Godtsjammerlijk gevelt. Wie wreedt en machtigh is, ontziet geen volk te plaagen. Men vlucht, door Pallas raadt, voor 't prangen van 't Geweldt, Dat oog, noch ooren heeft voor traanen, noch voor smeeken. Getergde koningen zijn toomeloos in 't wreeken.

Achter deeze Vertooning, worden vijf verschieten geoopent: in 't eerste van de drie grootste, dat zich aan de rechtehande laat zien, is Speldt, de Rooderoe, met zijn knevelaars, beezigh met vangen van mannen en vrouwen. In 't tweede, aan de slinkehandt , neemt de Hartogin van Parma haar afscheidt van 't Hof. In 't middelste zit de Bloedtraat aan een taafel, daar een kleene galg op staat: het kleedt, om d'aangeklaagde, buiten pijn, schrik aan te jaagen, leit vol kluisters, kettingen, geesselroeden, strop-

pen, zwaarden, nijptangen, pistoolen en allerleie pijn- en moordtuigh. In 't eerste van de twee kleene verschieten, ziet men verscheide Steeden de sleutels van haar poorten, aan de Spaansche Krijghs-hoofden, overleeveren. In het tweede worden de voorrechten, handtvesten en vryheeden, in 't byzijn van de Staaten, aan stukken gescheurt.

Hier zijn de sleutels in 't geweldt der vremdelingen. Daar scheurt men 't Burgerrecht. gins vangt men d'onderdaan. Wie vry wil heerschen, moet het volk hun Recht afdwingen. De Staatvoogdin vertrekt. men zoekt het Landt vol raân, Wurgpaalen, galgen, mik en moordtgeweer te brengen. De zucht tot goudt ontziet geen menschebloedt te plengen.

Achter deeze Vertooningen, ziet men, naa 't oopenen van vijf nieuwe verschieten, de menschen onthoofden, hangen, wurgen, verbranden, en andere gruwelijkheeden.

Wie zagh ooit burgerbloedt zoo wreedt door 't zwaardt inzwelgen! Men hangt, men wurgt, en brandt, door kracht van 't wreet gebodt. Wie steên wil houden moet geen onderdaan verdelgen. Heel Nederlandt verstrekt een gruwlijk moordtschavot. Sonoy zal dit misdrijf verdubbelen in 't Noorden. De weêrwraak woekert als zy macht heeft om te moorden.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.