Op het Schildery van Evaas appelbeet. Aan Juffrouw Margariet Lasmans,
Huisvrou van Eugenius Fontein.
Toef, aller Moeder, toef, dit zijn verboode looten.
Het Leeven heeft de Doodt in deeze boom beslooten.
Zy plukt, ô ramp! zy plukt. gy hebt uw' tanden op
Uw eigen ziel gewet. uw weelden zijn in top.
Gy zult, indien gy proeft, de moordtbeet lang betreuren.
Zy bijt. den hemel schreit, en sluit zijn goude deuren.
Zy zwelgt. den helhondt lacht en oopent d'yzre kolk.
O erfwondt in de ziel van 't ongeboore volk!
Och Vaader! stier uw Zoon, het aardtrijk komt u smeeken.
En laat hem, door de speer en purpre spijkerbeeken,
De zielwondt zuiveren; de werreldt is in noodt.
Hy zal, door het verlies van 't leeven, d'eeuwge doodt
Verwinnen. hoe! ik mis. ik zie panneel vertoogen.
Is Eva door de slang, ik ben door verf bedroogen.
Vergeef my deeze zondt; 't bedrog is ongemeen.
De grootheidt van de kunst maakt deeze misdaadt kleen.