Op de tweede Vertooning, 't Woedende Oorloog.
Euroope schreeuwt om hulp, nu zy aan alIe kanten,
Gelijk in Cezars eeuw', de naaste bloedtverwanten
Elkaâr te keer ziet gaan; maar 't schreeuwen is om niet.
De Boosheidt heeft geen oor. Veneedjen lilt als riet,
Terwijl zy Kandië, haar dochter, door de Bassen
Van 't wreede Thraciën, ellendig ziet verrassen.
De geest van Godefroy vertoont zich aan het volk.
Zijn rechtehandt beklemt een schitterende dolk,
De slinke zwaait een toorts. hy poogt, nu hy de Frygen
Ziet naadren, 't Christenheir, gesplitst door burgerkrijgen,
Te stillen; om den Turk, zoo goddelijk verwoedt,
Als hy het oost bevocht, van d'Ister, tot den vloedt
Die 't nat van Indus zwelgt, al juichend', naa te jaagen.
Belloone steekt in 't heir, op haar bebloede waagen,
Haar schorre moordttrompet, en hitst de benden aan.
't Geweldt is op de been. de Doodt is niet t'ontgaan.