In de tweede vertooning
Verschijnt het Oorlogh met haar leegerbenden. de Staatzucht staat aan haar rechte zy.
Gierigheidt, Eigenbaat, Roovery, Moordt en Doodt volgen. Eerbaarheidt,
Onnoozelheidt, Gerechtigheidt en Trou worden door Onkuisheidt, Bedrogh,
Meineedigheidt en Geweldt verjaagt. zy geeft Schrik, Vrees, Tweedraght en Wraak
last om haar zaadt in Neederlandt te zaajen: maar deeze Plaagen worden hier van
Onversaagtheidt, Moedigheit, Eendracht en Vryheidt verwacht. Aan d'andere zyde
neemen Blaak, Asku, Monk, Dean en Pen afscheit van
de zeeraaden; de minder waterhoofden en hopluiden wapenen zich. men prest het
volk, uit kracht van een oude wet, die tot last der gemeente is, en sleept het gekluistert
naar de scheepen: de vrouwen, kinderen, moeders en zusters volgen hen al weenende.
Brittanje wapent zich om Neêrlandt te bespringen.
Het bloedig' Oorelogh, het wettelooz' Geweldt,
En d'onverzaadbre Roof die hier door 't aardtryk dringen,
Verjaagen 's Hemels rey. men prest de mans op 't veldt,
En sleept hen voort naa 't strandt: de vrouwen storten traanen,
Het Oorlog heeft geen oor' voor klaagend' onderdaanen.