De viertiende
Is de boodem van kunstgereedtschappen en boeken deur een gevlecht; voor staat de
Hoop; het achterste deel is een springendt hart, dat van een hondt vervolgt en van
jaagtuig omheint is. Dit is de waagen daar Prins Willem de Derde op verschijnt. Hy zit
op de Schoot van de Godtsdienst, die in 't wit gekleedt is; zy heeft twee vleugels aan
haar rug, en een zon op haar voorhooft. De zeeven vrye kunsten, die hier door
gevleugelde kinderen uitgebeeldt zijn, poogen de Prins haar Staatnutte lessen in te
Scherpen. Voor op de waagen staat een brandendt outaar, dat met lauwerieren, oranje-appelen,
en 't anker van de Hoop versiert is; uit d'asch, die op 't outaar leit, verrijst, in schaaduw van een
boom, daar een enkle oranje-appel aan hangt, een jonge Fenix.
D'Oranje hofzon rijst, om Neêrlandt te bestraalen:
Hy wordt deurzult in 't merg van kunst en dapperheên.
Waar wijze Vorsten zijn verbreit de Staat haar paalen.
Zoo kan men 't groot geweldt der vyanden vertreên.
De Godsdienst stort zijn hart, deur 't oor, vol heilzaamheeden.
Door Godtsdienst, Kunst en Kracht, bekoort men Landt en steeden.