Het Kruisen.
De Heilandt wordt gekruist. ô noodge gruwlijkheeden!
De stompe nagels gaan, al knarsendt, door zijn leeden,
En reiken met de punt tot in Mariaas borst.
Het kruis wordt opgerecht. de Zielbron stikt van dorst.
Die wijn voor water gaf, wordt hier weêr gal gegeeven.
Die 't aardtrijk beeven doet kan Kaifas niet doen beeven.
De zon verschuilt haar toorts, en kleede zich, om de doodt
Van 't Leeven, in de rou. het heilighdom staat bloot.
De voeten, die wel eer de zachte waterbeeken
Hardt maakte, ziet men hier in rookendt bloedt deurweeken.
De handen, daar hy veel de wonden meê genas,
Die zijn nu zelf deurwondt. die 't eeuwigh duister glas
Der blinden van 't gezicht, door 't raaken, heeft gebrooken,
Wordt zelver, door de Doodt, bey d'oogen toegelooken.
De mondt, die 't stomme volk deedt spreeken, wordt gestopt.
De schepper is ontschept. op mensch, de Liefde klopt,
Op naar Kalvaarien, en spijker al uw' zonden
By Christus aan het kruis; ja wast 'er, in zijn wonden,
De moordtvlak uit uw' ziel. hy noodt u in zijn boot:
De Wijsheidt zit aan 't roer; de Reede viert de schoot,
Om naa het kruis, de baak van 't Heilighlandt, te vaaren.
De hemelhaaven leit aan 't eindt der roode baaren.
Hier teekent hy met bloedt de vryheidt voor zijn huis.
Het heilloos erfrecht daalt voor 't rijzen van het kruis.