Op Machtelt Zwaanenburg, Dochtertje van Gerrit Barentsen Zwaanenburg,
Opper-bouwmeester t'Amsterdam, &c.
De bloem des leevens schijnt in d'uchtent schoon te brallen;
Des middags welkt het bladt, en 's avondts is 't gevallen:
Maar Machtelt viel te vroeg. vergeefs zijn jonge blaân.
Men plukt de schoone roos, en laat de doornen staan.