Afrijke.
Afrijk' wordt staag bestreên, om haar vergulde zanden:
Het wapent zich vergeefs met dieren wreedt van aart.
De goudtzucht, stout van moedt, ontziet geen leeuwetanden.
't Is arme rijkdom die men met gevaar bewaart.
Het landt is veer: maar 't volk veel veerder van Godts paaden.
Wie 't volk om goudt vermoordt noch veerder van Godts blaaden.