Venus uit de zee, door M. M. geschildert.
Wat voor een hooftgodin verrijst'er uit de baaren?
't Is Venus die haar hooft en hals met paarlen pronkt.
Ik voel haar gloedt alree in 't binnenst' van mijn aâren,
De hemel, aardt en zee zijn door haar vuur ontvonkt.
Geen mensch is machtigh om het minnevuur te schuwen.
Kupid' verschijnt om hoog, en sticht door 't schieten brandt.
De pijl der liefde baart geneegentheidt tot huwen.
Het menschelijk geslacht behoudt door huwen standt.
All' d'aardt zou in een eeuw, versturf de Min, versterven.
Apel bekleê dit beeldt dat ons te naakt verschijnt.
Hier schijnt een leevendt vuur, bedekt met doode verven.
Mijn veeder schroeit, mijn int verdroogt, en 't blat verdwijnt,
Nu dat ik haar beschryf door 't blaakren van haar oogen.
Vrou-Venus lonken zijn beroemt door haar vermoogen.