Het Verryzen.
't Verganklijk zonnelicht moest voor de middagh daalen.
Het eeuwigh, om die schaa, met voordeel, in te haalen,
Vertoont zich in de nacht; ja 't maakt de ziel een dagh,
Daar d'onverzaadbre hel niet teegens op zien magh.
Nu hy zijn graf ontsluit, ontsluit hy 's hemels deuren,
En grendelt d'afgrondt toe, die d'aardt in 't zwart deedt treuren,
Verschijnt ons hier in 't wit. de wacht ontzinkt de moedt
Voor 't rijzen van dit Licht. een weerelooze doet
Gewapent krijgsvolk vliên! wie durft 'er teegenstrijden?
Hy windt hier door verlies, en zeegepraalt door lijden.
De zegels die het graf verzeekren zijn onnut:
Zijn glanssen smelten 't wasch. de Deugdt wordt niet geschut.
Die 't kruis en op het kruis de zonden heeft gedraagen,
Besluit men met geen steen. de Heidnen zien het daagen,
Nu deeze Zon het hooft uit purpre plassen beurt.
De handtvest van de hel, door zijn geboort gescheurt,
Verbrandt hy door zijn gloedt, die 't harde graf deurgriefde.
Op Jooden: want dien Godt, die vaster door zijn liefde,
Dan door uw' naagelen aan 't kruis geklonken was,
Verrijst, naa 't sterven, als de fenix uit zijn asch.
Hy blust het offervuur, door 't vloeien van zijn wonden,
De moordtbeet in het ooft, een springbron aller zonden,
Is door zijn bloedt gestopt; 't gebou van Salomon
Door 't zwaare kruis verdelght. de schaaduw wijkt de Zon.