Het Vangen.
De Schepper wordt gekust: maar 't kussen kost het leeven.
Wat mondt, vol gal, heeft ooit zoo wreedt een kus gegeeven?
O meer dan Joab kus! de Valsheidt zelver weet
Geen naam voor dit bedrogh. de beulen zijn gereedt.
Men boeit hem met een reex, die door de Raazerryen
In d'afgront is gesmeedt; daar duizent tierannyen
Zoo fel een proef van doen, dat zijn gebeente kraakt.
De handen, daar hy d'aardt uit niet meê heeft gemaakt,
En daar hy 't hel gestarnt meê in de blaauwe vloeren
Des hemels heeft geplant, die bindt men hem met snoeren,
Door Tempellist gedreit, en Staatgeweldt gevlecht.
Elk heeft hem met zijn wil, verwoedt, aan 't kruis gehecht.
Zal hy zich wreeken? neen. de taaie knevelbanden
Zijn, zoo hy wil, als rag. hy vreest geen wreede handen.
De liefde tot de ziel verbiedt hem weer te biên.
Wie om te helpen komt moet geen gevaar ontzien.
Hy laat zich binden om een ander los te maaken.
Zoo rukt hy 't aardtsch geslacht uit d'onderaardtsche kaaken.
Hy lijdt om dat den mensch hier naa niet lijden zal.
Men sleept hem naa de stadt (hoe bitter is de gal!)
Daar hy 't gemartelt hooft vol doorenen laat drukken,
Om dat de zielen niet dan roozen zullen plukken.
D'onschuldge boet de schuldt (ô gruwel!) aan een paal.
Men klimt langs zulk een trap naar d'overzaalge zaal.