Het Geesselen.
Dus ziet men Godt, in 't vleesch, aan een pilaar gebonden.
Hy laat zich quetsen, om uw ziel vol diepe wonden,
Door 't bloedt te meesteren. de Deugdt is 't wit der roên!
Die zonder zonden is, moet om de zonden bloên.
Toef wreede beulen, toef. gy geesselt met uw' roeden
Door d'aadren in het vleesch: maar met uw' wreê gemoeden
Slaat gy tot het hart, met heilighbloedt gevult.
Uw' geesselzweep is taay: maar 't goddelijk geduldt
(O liefde tot de mensch!) is taaier dan uw zweepen.
Wordt gy niet roodt van schaamt voor deeze roode streepen?
De roeden worden roodt. uw' armen schijnen moê:
Maar uwe lust tot bloedt die neemt in 't geeslen toe.
Op Vaader, wapen u, kunt gy uw zoon zien schenden?
Voort beulen, slijt uw roên op onze rugg' en lenden.
De slaagen klateren en klitsen, reis op reis,
De schuldge slechts in 't oor, d'onschuldge diep in 't vleis.
Hoe wordt de schepper door zijn schepsels handt geschonnen!
Zijn leedemaaten zijn gelijk gescheurde bronnen,
Die niet dan purpernat doen vloeien over 't gras.
Die op de klip des doodts, in 's werreldts woeste plas,
Geen schipbreuk lijden wil, moet deeze baaren klooven.
Men zeilt door zulk een zee naa d'overzaalge hooven
Van 't eeuwigh Englenburg. men heelt in deeze vloedt
Het doodelijke zeer van het verzwakt gemoedt.