469. Aan J. de Dekker, op zijn gedichten.
't Gestarnt, o Dekker! komt zich op zijn tijdt ontdekken:
Maar gy ontdekt uw geest te laat door uwe handt.
De zon moet rijzen zal de duisterheidt verstrekken.
Zoo toont gy door uw dicht de straal van uw verstandt.
In 't kort zien wy uw geest, in 't lang uw oordeel lichten.
Geen boek is goet of 't is vol uitgeleeze dichten.