Ringsteeken van den Daufin Lodewijk, in 't byzijn van zijn vaader, Koning
Hendrik de Vierde: in de kleene zaal.
Elk wijk voor Lodewijk, de hoop der Franse wijken:
Hy vangt het steekspel aan, uit groote zucht tot lof.
De roemprijs is niet dan door wakkerheidt te strijken.
Hy rent als Kastor met zijn klepper deur het stof:
De speer weet met zijn oog tot in de ring te raaken.
Zoo houdt men in de vreê 't geweer voor 't roesten gladt.
Wie 't oorlog keeren wil moet eerst in vreede waaken.
De groote Henderik, op Cezars zeegepadt,
Is moedigh op zijn zoon, die hem in moedt komt naaderen.
De zoonen zoeken meest naar 't eerspoor van hun vaaderen.