Skip to content
1662

Alle de gedichten. Deel 1

Jan Vos

Aan den Eed. Heer Joan Huidekooper, Ridder, Heer van Maarseveen, Neerdijk, &c. Oudt-Burgermeester, Raadt ter Amiraliteit, En Bewindthebber der Oost-Indische Compagnie t'Amsterdam.

Groote Vader van de grootst' der Watersteeden! Die 't wapentuigh hulp smeeden, Daar Hollandt door verwint; want laffe vleiery, Behoedt geen koopvaardy: Vergun my, dat ik u het hof der zwarte schaaren In deze witte blaaren Afgrijselijk doe zien. men hoeft geen Herkles knots Om Plutoos poort, tot trots Van Cerbrus, op te slaan: mijn veeder doetz' hier open. Pouwlette, heet op stroopen, Hitst hier de Britten aan: maar wie dat d'eendracht splitst, Wordt lichtlijk aangehitst. Gy kunt hier, zoo 't u lust, gaan bruissen door de vloeden, Daar bey de vlooten woeden. Een mannelijke borst ontziet geen zwalpent meer. Gy zult de zee, door 't weer, Haar zoute kaaken tot de hel toe op zien spalken; Zy zwelgt, belust op balken,

De scheepen in haar balg: of warptze naar 't gestarnt. En blust al wat 'er barnt Aan 's hemels zaal door 't nat. Wie overal zal weezen Moet geen gevaaren vreezen. De Leeraar aan de Teems geeft hier zijn logens schijn. Zoo mengt men gift met wijn In een vergulde kop, om d'oogen te bekooren. Nu zult gy 't twisten hooren Van 't hemelsch hofgezin: maar Jupiter is hier Tot heil van Batavier, En schrik van Engelant. Nu komt 'er Eendracht daalen. Men vreest geen oorlogs quaalen, Daar Eendracht zich vertoont, en met de Wijsheidt paart. Wie hart heeft vreest geen zwaardt. Die 't heir helpt wapenen moet niet voor vechten wijken. Wilt gy de vlag zien strijken, Van die een ander voor zijn vlaggen strijken deê? Zoo gaa met my in zee. Gy zult de Witt' het volk zien moedigen tot kampen. Wie moedt heeft vreest geen rampen. Men maakt het weekste hart door 't hitsen als metaal. Op, volg den Ameraal. Het schriklijk blaakeren, de naare moortgeschreeuwen, Het overyslijk sneeuwen Van slibbrigh brein, en merg, het hagelen der loôn, Het vallen van de doôn, Het regenen van bloedt, de sabel blixemstraalen, En 't dondren der metaalen, En ysre bussen, van de groote vlooten, zijn, In 't oog niet meer dan schijn. De grootste schaduw moet voor enkle waarheidt wijken. De Doodt, verlieft op lijken, Rijt als de Zeege met haar koets langs 's hemels trans: Haar kleeding is vol glans.

Wie dat bedriegen wil moet zich aanminnigh tooien. Gy zult haar loof zien strooien. De hoop van winst maakt stout. Men drijft door lauwerblaân De lafste krijgsluy aan. Nu zult gy Kromwel zelf zien raazen om 't verliezen. De vrees doet hem bevriezen. Wanneer de schrik de stoutst' omhelst, wort hy de bangst'. De moedtloosheidt baart angst. Hy braakt: maar niet dan bloet, dat hy op moordtschavotten, Deedt vloeien uit de strotten Der wettig' Overheên, door zucht tot kroon, en staf. Mijn veeder zal u 't graf Van marmer openen, en Karels geest doen stijgen. Hy prest zijn zoon tot krijgen. De dooden krijgen veel by leevende gehoor. O Maarseveen! het spoor Dat ik u open zet, is in een zee van blaaren. Men kan, in deeze baaren Van inkt, uw raatslag zien; want gy hebt staâg gezegt: Men haalt door zeegevecht Zijn adem op het lant. Men meet gewelt van buiten, Door kracht van wapens stuiten. Indien men Raaders bent als die de raaden doen, Verwacht dan lauwerhoên. Men acht het werktuig min dan die het tuig bestieren. De Beurs der Batavieren Bedankt de Raaden waar dat zy haar door verlicht. Elk is aan dienst verplicht.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Alle de gedichten. Deel 1 · Jan Vos · Poetry Cove