Op de darde Vertooning, Afgestreede Vorsten.
De Vreed' ontsluit haar troon van kronkelende wolken.
Op 't karmen van Euroop', die, in 't gedrang der volken,
Deemoedigh leit geknielt, en zucht door groote noodt.
Haar Vorsten zijn, nu zy de Vreede zien, zoo roodt
In 't aangezicht van schaamt, als hun verwoede handen
Van dierbaar menschebloedt. de fiere Neederlanden
Slaan d'oogen naar de lucht. de vruchtbaar Aarde steekt
Haar hooft, ten schouders toe, in brein en bloedt deurweekt,
Uit een gesprongen mijn'. de Boschgoôn zien, op 't scheuren
Der wolkgordijnen, op. de Waterscharen beuren
Hun pruiken van koraal, van liezen, mos en gras
Uit het deurbloede nat, om niet in puin, noch as,
Beneeden in hun vloên, noch lijken te versmooren.
De Vreede reikt Euroop, nu d'opgezwolle tooren
Der Kooningen verdwijnt, van 't ongemeete dak,
Daar zy haar schaar omhelst, de heilge pallemtak.