Herfst.
De Herfst versiert haar hooft met breede wijngaartblaaderen,
En snijdt de bolle druif, tot nut van Stadt en Landt.
Wie mest en snoeit, leit toe om vruchten te vergaaderen.
Zy plukt het laat gewasch, en vult haar leege mandt.
Zoo oest men 't smaaklijk ooft, in spijt der guure vlaagen.
Wat langzaam rijpt laat zich niet licht van rot doorknaagen.