Eedele, grootachtbaare Heer, Myn Heer Kornelis de Graaf, Vryheer van Zuydt-Polsbroek, Oudt-Burgermeester en Raadt der stadt Amsterdam, &c.
De felle Doodt, o Graaf! verlieft op graven,
Vertoont zich, hier tot schrik van 't aardts geslacht;
Al wat ooit aassem schiep wordt omgebracht:
Z'ontziet noch harders stok, noch koningsstaven.
Vergeefs is 't staaleschildt en steenewal.
De moordtpijl van de Doodt vliegt overal.
Natuur laat zich tot hulp der menschen vinden.
Zy rukt haar kracht, door noodt geparst, by een:
Maar d'alverdelgster wordt om niet bestreên;
Haar ziekten weeten alles te verslinden.
De kruiden dienen 't volk slechts voor een tijdt.
De doodtschicht voert een onbepaalde strijdt.
Nu komt de Kunst, gewapent met haar verven,
En puikpenseelen, tot bederf van 't graf.
Zy maalt de menschen naar het leeven af.
Zoo hoedt men al wat leeft voor 't eeuwigh sterven.
Die zeege dient Natuur in 's werreldts schoot.
De schilderkunst verwint de Tijdt en Doodt.
Uwer Ed. Groot-achtbaare verplichtste dienaar
Jan Vos