Lazarus door Christus van den doodt gewekt; door J. Lievensen
geschildert.
De val van Adam deedt de Doodt deur d'aardt opzweeven.
Al wat ooit aassem schiep moest duiken voor haar staf.
De moordtpyl van de doodt is starker dan het leeven.
Zoo rukt zy Laaz'rus in de kerker van haar graf,
En sluit de koopre poort met staal' en yzre staaven.
Hier schijnt geen hoop van ooit in 't oordeel op te staan:
Maar Christus starker dan de doodt, verdelgt haar graaven,
En roept de ziel om weêr in 't koude lyk te gaan.
Wie dat almachtig is betoont bywylen blijken.
't Gelooven is voor 't oor: maar 't weeten voor 't gezicht.
De broêr van Marta komt verbaast ten graf uitkijken,
Als of hem Godtsbazuin, daar al wie leest voor zwicht,
Ter jongste vierschaar riep, om reekening te geeven.
Een onverwachte zaak heeft ongemeene kracht.
Die eens gebooren is verkrijgt hier tweemaal 't leeven.
Wie heil by Christus zoekt heeft kennis van zijn macht:
Want hy verkrygt waar dat hy komt de rykste zeege.
Wie dat gelooft wil zijn moet wonderdaaden pleege'.