In de derde Vertooning in 't Spel Verdagvaarden de Tritons, door het geluit van hun kinkhoorens, de zoete en zoute baaren. De Noordtwestewindt vliegt tusschen hemel en aardt, en helpt het water, door gestaadigh blaazen, aan 't zwellen: de Zuidtweste jaagt, terwijl zy over d'akkers en velden zweeft, de vloeden deur de deurgesteeken dijken en kaaden, en doetze langs het landt naar de Stadt toe bruischen. De Stroomgooden en Godinnen, die dus lang, voor 't woeden van 't Spaansche leeger, in hun bemoste killen verschoolen, ziet men
nu van de grondt opschieten en op de baaren dobberen. Hier steekt de vyandt verscheide leegerplaatsen, door 't naaderen van de vloot, aan brandt. Daar klampen de Staatsche en Spaansche elkander aan boordt. Gins gaat men elkander, in 't water, met roer, spies en deegen te keer. Overal dryven verdronken krijgsluiden.
Hier komt de laage zee het hooge landt bespringen. Het water vloeit, door hulp der winden, naar de Stadt. De golven wyken nooit voor koegelen, noch klingen. Waar 't water d'oest bederft, hier oest men vrucht door 't nat. Nu spoelt het bloedt van 't landt, en blust de Spaansche hetten. Geen starker arm dan Godt om steên vol volk t'ontzetten.
Achter deeze Vertooning worden alle verschieten geoopent; hier ziet men Boisot en d'andere krijgshoofden van de Stadtvoogt en Burgermeesteren omhelzen. De schuiten vaaren in de Stadt; het grimmelt van mannen, vrouwen en kinderen, die het broodt, dat hun door de bootsluiden uit de schuiten toegeworpen wordt, poogen te vangen; men ziet'er die, met de spijs in de mondt, door de gulzigheidt in 't zwelgen, verstikken. Veel menschen, door honger voortgedreeven, springen in de watergrachten, om broodt, kaas, haring, of andere eetwaaren te krijgen. Leiden vertoont zich met Stantvastigheidt, die haar neevens Herkules verzelt, op de trans van de burg, om de vyandt te zien vluchten.
De Honger heeft haar zwaardt weêr in de scheê gesteeken. De Stadt is vol van vreugt door 't oopnen van de Vloot. Een uitgemergelt volk laat zich door voedtsel queeken. De spijs, die 't leeven stut, verhaast hier tot de doodt: Zoo gulzigh zwelgt de keel, om alles in te haalen. Een hongerige buik is quaalijk te bepaalen.
Cookies on Poetry Cove