503. In 't tweede deel van Klioos Kraam, is, door onkunde van den Drukker, zeeker
gedicht, door Izak Vos op 't Spel van de Bedekte Verraader, gerijmt, in de bladtwijzer op mijn naam gestelt.
Een ander heeft tot lof van Fuiters spel geschreeven;
Dit rijm is op mijn naam, 't schijnt gunst, in 't licht gegeeven:
Ik wil niet dat men my voor vreemde vaarzen stelt.
Een averechtse gunst is een bedekt geweldt.