502. Toen den E. Heer Koenraadt van Beuningen, Pensionaris t'Amsterdam, nu Gezant &c. in
zijn lusthof, &c.
Hier ziet men Beun'gen, die de mondt van Amstels wet is,
In 't midden van zijn hof, dat hy voor onkruidt redt.
Ik vindt hem op zijn bedt nu dat hy van zijn bedt is.
Zoo raakt hy eerlijk van het een op 't ander bedt:
Het eerst' is wit van pluim, het lest' vol zwarte zanden.
Het koetsbedt is alleen voor afgematte leên.
Het tuinbedt dient tot rust der wakkere verstanden
Zoo zag men Kato, door de zorg voor 't algemeen,
Vermoeit en afgewaakt, zich in zijn hof verpoozen.
Wie veel deur doornen gaat verkrijgt bywijl noch roozen.