685. Aan Mejuffrouw Geertruidt Huidekoopers van Maarseveen, toen haar lauwerboom
verdorde &c.
Dit loof, o Geertruidt! is hier voor de herfst geschonnen:
Maar 't is geen wonder: want het blaaderrijke hout,
Wierdt dag aan dag bestraalt van twee kristalle zonnen,
En 't wierdt by nacht slechts eens van 's hemels vocht bedouwt.
Vraagt gy: wat zonen zijn 't die 't loof ter aardt doen zinken?
Die in de hemel van uw helder voorhooft blinken.