665. Aan Juffrouw Maria Kuisten, gemaalin van den E. Heer Jan de la Fontaine.
Uw mondt, o Kuisten! heeft my eerelijk bedroogen:
Want gy hebt, nu gy rijmt, ook voor mijn oor geschaft.
Wie dubble deugden pleegt is waardt om op te boogen.
Een eerelijk bedrog wordt niet door 't Recht gestraft.
Genaak ik u met rijm, tot kitteling der ooren,
Strak naadert gy my weêr met een gelijke maat.
Gy zyt als Pallas uit uw vaaders brein gebooren.
De vruchten aarten meest naar d'eigenschap van 't zaadt.
Volhardt in uw bedrog, ik zal u nooit bestraffen.
Wie spijs met rijm deurmengt is loffelijk in 't schaffen.