363. Aan zeeker scheepskapetein, die zich eerst dapper en na moedeloos betoonde, &c.
Gy hebt weleer, voor moedt, een reeks van goudt gekreege':
Maar zoo men lafheidt straft, als loon geeft voor de zeege,
Zoo past u nu een reeks van yzer, zwaar van stof.
Een landt dat loont en straft verdient een dubbel lof.