In de achtste Vertooning
Ziet men Neptunus en Thetis door de baaren bruizen, die door de zeekrijgh met bloedt
doormengelt zijn: de wagen is van zeegooden en godinnen omringt; en wordt gevolgt
van de Taag, de Loir, de Sein, de Scheldt, de Rijn, de Maas, het Y, de Teems, d'Eems
de Elf, de Belt en Wezer: zy schreeuwen al t'zamen om vreede. De gezanten van bey
de Landen ziet men, met olyfkranssen gehult, elkander op de strant omhelzen.
Neptunus steekt het hooft uit zijn bebloede baaren,
En schreeuwt, gelyk al d'aardt om voortgang van de vree.
De Scheepskrijg is tot schrik van landt en waterschaaren.
De hofgezanten gaan, op d'oever van de zee,
Elkander te gemoet, tot heil der Vryigheeden.
De schaduw wijkt de zon, zoo doet de Krijg de Vreede.