In d'eerste Vertooning in 't Spel Verschijnt de Honger, die een vleeselooze schonk in haar handen heeft, daar zy gestaadig aan knaagt. de waagen, daar zy op zit, wordt van Oorlogh en Dieretijdt voortgetrokken. Geduldigheidt heeft de toom in haar handt. Standtvastigheidt staat achter op. zy is van uitgemergelde mannen, vrouwen en kinderen omheint; die de stukken van taaje ossen- en paardehuiden, het vlees van honden, katten, ratten en ander stinkendt ongediert, elkander zoeken te ontscheuren. Aan d'andere zy vertoont zich een kar, daar de Doodt op staat; in haar rechtehandt heeft
zy een pijl, in de slinke een gebluste toorts. de Vryheidt staat achter op. zy wordt van twee zwarte raavens, die door haar schorre keelen afgrijslijk krassen, voortgetrokken. de Tijdt heeft de toom om te mennen: de grondt daar zy over rijt, leit vol lijken. Tusschen deeze twee schrikkelijkheeden, worden Bacchus en Gulzigheidt, door Maatigheidt, geteugelt. Diana geeft haar boog en pijlkooker, tot teeken dat het wildt door 't leeger verjaagt is, aan haar Jagtmaagden.
De Honger, 't scherpste zwaardt dat Leiden komt bestrijden, Vertoont zich hier by 't volk erbarmelijk op straat. Men vecht om stinkendt aas op hoop van ruimer tijden. Door taay Geduldt, in noodt, bewaart men Stadt en Staat. De moordtpijl van de Doodt bedekt all' d'aardt met lijken. Wie vry wil weezen moet geen doodtsgevaar ontwijken.
Achter deeze Vertooning oopent men vijf verschieten; in 't eerste van de drie grootste, komt Leiden, van de Rijn en Hoop verzelt, voor Ceres, Pan en Pomona, knielen, om broodt, vlees en vruchten voor de burgery te verzoeken: maar deeze Godtheeden zijn de handen door 't Geweldt gebonden. In het tweede verwont men het lijkbedt van Allardszoon, oudt Stadtvoogt: de rouwkamer is met zijn wapens en fakkels versiert. Hier ziet men de Leidtsche Maagden, die by 't lijk zitten, de handen, al schreyende, in 't hair en voor de borst slaan. In 't middelste, is de smitswinkel van Vulkaan, daar hy, met zij naakte reuzen, op 't verzoek van den Heer van Noordtwijk, nieuw Stadtvoogt, waapens smeedt, om de Stadt voor het woeden van 't Spaansche geweer te beschermen. In 't eerste van de twee kleene verschieten, is d'Armoedt bezigh met papier, in plaats van zilver, tot geldt te munten: 't welk hier, door Merkuur, aan Neering uitgereikt wordt. In het tweede, zijn de Burgermeesters by Pallas en Mars, om raadt tot Stadt- en krijgsbestiering.
Hier ziet men 't heldenlijk van Allardszoon vertoogen. Daar geeft Minerve raadt. gins wordt papier gemunt. De Noodt, die wetten schrijft, is machtigh van vermoogen. Hier smeekt de Stadt om broodt. daar slijpt Vulkaan 't de punt Van 't harde staal, en laat zijn reuzen wapens smeeden. De wakkre voorzorg is de tweede wal der steeden.
Cookies on Poetry Cove