329. Op 't springen van de Kruidttooren tot Delft.
De Stadt spreekt:
Twee Donderdaagen heb ik in een week gekreegen.
Mijn Maandagh wierdt, o ramp! mijn tweede Donderdagh.
Is 't zeegen als men wint? dit 's een vervloekte zeegen:
Want deeze kreeg haar naam door eene donderslag.
Wie 't hoort verschrikt en schreit: wilt gy de reeden weeten?
De donder heeft my op dien dagh ter aardt gesmeeten.