324. Aan den Eed. Gestr. Heer Joan Huidekooper van Maarseveen, &c. Ridder, nu Scheepen
t'Amsterdam.
Gy noodt my in het veldt om 't veldthoen te verschalken,
En haas te jaagen, die gy endlyk achterhaalt:
Ik volg noch vlugge hondt, noch scherpgebekte valken.
Al waar men zweet voor geeft wordt veel te dier betaalt.
Ik leen mijn voeten niet om naar het wildt te loopen:
Zoo zyn mijn vaarzen niet verleegen om een voet.
Een voeteloos gedicht heeft nooit op roem te hoopen.
Ik zoek het schuwe wildt, dat gy in 't veldt op doet,
Te vangen op uw disch, en makkelyk te eeren.
Wie in de schootel jaagt, zal vangen en niet zweeten.