Sint Steeven gesteenigt, door L. N. geschildert.
Wie poogt Sint Steeven hier in steenen te begraven?
De beulen worden mat: maar niet verzaat van 't woên.
Wie wreedt is zoekt zijn borst door menschebloedt te laven.
Wijk, felle schelmen, wijk, het lichaam is aan 't bloên.
Hun wreede harten zijn veel harder dan de steenen.
De deernis heeft geen vat op een versteent gemoedt.
Hier scheurt het bekkeneel. daar pletteren de beenen.
De zon van 't aanzicht blinkt dwars door een wolk van bloedt.
Het rnoordtschut komt zoo dicht als hagel op hem vallen.
Augustus Rijxkroon pronkt met steenen die men koopt:
Maar deeze steenen zijn veel waarder om te brallen;
Zy zijn in 't heilig badt van Stevens bloedt gedoopt.
De hemel oopent zich: hier ziet hy 't veiligh leeven.
Sint Steven geeft zijn geest aan diez' hem eertijdts gaf.
Wie om de godtsdienst lijdt zal deur de starren streeven.
De faam der martelaars bestelpt men in geen graf.
De zeetel van de deugdt is in de lucht t'aanschouwen.
Op, Christnen, op, en raap de steenen roodt van bloedt;
Gy moet Godtszoon een kerk van deeze stoffen bouwen,
Daar Salomons gebouw, vol goudt, voor zwichten moet;
Zoo veer als d'oude wet voor 't nieuw verbondt moet zwichten.
Godtskerk laat zich van steen, maar best van harten stichten.