Groote zaal met tapijten behangen.
Wie rukt my van het Y tot in de Grieksche Tempe?
Hier pronkt het bly gebloemt. daar lacht het weelig landt.
De winter heeft geen macht, om dit priëel te dempe'.
De Lent, die 't voorjaar siert, behoudt hier eeuwig standt.
Een onverwelkbaar hof behaagt de keurigst' oogen.
Al wat bestandigh blyft wordt loffelyk geschat.
Hoe! 't is geen Tempe; neen: de waan heeft my bedroogen.
Ik ben in Indiën, daar 't goude zonneradt,
Met diamant versiert, komt rijden uit de baaren.
Hier zweet de balssemboom. daar bloeit de wierooktak.
Het krielt van vogels, schoon van verven, in de blaaren.
Indien ik blijven mach in schaaduw van dit dak,
Zoo vrees ik, dit staat vast, noch Mooren, noch Chineezen.
Wie weeligh leeven wil moet buiten zorgen weezen.