Jean de la Fontaine: aan zijn gemaalin Juffrouw Maria Kuisten.
Hier stopt men een Fontein, dat deerlijk klaagen baart.
Nu vloeit 'er een fontein uit Kuistens droevig' oogen:
Deez' vondt men overzoet: maar die heel zout van aart.
Het weenen is vergeefs: de Doodt heeft geen medoogen.