Op de negende Vertooning, Moeder der Vreede.
't Gezeegendt Amsterdam, omheint van Waaterschaaren
Zwaait nu, als Kaizerin der zoet' en zoute baaren,
De gaffel van Neptuin: haar hooft is met een kroon
Van steevens geperruikt. de Faam beschrijt haar troon,
En steekt haar loftrompet. 't Gerecht, de kracht der Steede',
De Vryheidt, d'oude Tucht, de Godsdienst en de Vreede,
Bekleên haar rechte zy. de Neering, d'Overvloedt,
De Rijkdom, d'Eendracht, en de Trouw, oprecht van moedt,
Heeftz' aan haar slinkehandt. het krielt in al haar wijke'
Van vreemde handelaars. het zwart geverfd' Afrijke
Beschenkt haar met yvoor, met bloetkraal, en met goudt;
Amerike met riet, met zilver, en met hout,
Daar 't ongebaande bosch in 't westen op mach roemen;
En Azië met zijd, met paarlen en met bloemen,
Met wierooktellegen, en allerhande schat.
Haar Vorsten staan verbaast, nu zy de rijke stadt
Aan d'Aamstel, op haar troon zoo heerelijk zien blaaken.
't Geluk biedt haar de handt. die 't heillooz' Oorloogh wraaken
Begroeten haar van veer voor Moeder van de Rust.
Zoo bralden 't oude Room' in 't leeven van August.