De vyftiende
Is het voorste deel een Faam; het achter-endt een Vrouw die een star op haar hooft
heeft; zy stort uit een vat, dat zy onder haar arm heeft, allerleie rijkdommen; in 't
midden ziet men niet dan wapens. Op deeze zit de Dankbaarheidt, en voert het wapen
van d'Algemeene Staaten: Mildtheidt en Stilzwijgentheidt bekleeden bey haar zijden:
de twee gevleugelde kinderen, die voor haar staan, ontvouwen een Oranjesluier, daar
de Mildtheidt, de hooren van overvloedt, die vol schatten gepropt is, door order van
Dankbaarheidt, in leedigh stort, om de Prinselijke diensten,
gelijk zy van oudts her gedaan heeft, met koninglijke giften te beschenken.
De Krijgsdeugdt hoort haar lof van braave dochters zingen:
Maar 't is te kleen een loon voor een Nassouwsche moedt.
Wie groote luister heeft vereist de grootste dingen.
De Dankbaarheidt, het grootst', verschijnt hier met haar stoet,
En naadert met haar schat d'Oranje wapendaaden.
De Krijgsdeugdt past een krans van goude lauwerblaaden.