In de vyfde Vertooning
Staan de Bruidegom en Bruidt op een troon. Hy heeft Apollo en Themis; zy Pallas en
Huiszorg tot Speelgenoots. Voorzichtigheidt, Schranderheidt, Beleeftheidt en
Reedtlijkheidt, staan aan d'eene zy van de troon: Aanminnigheidt, Vrindtlijkheidt,
Mewaarigheidt en Wakkerheidt aan d'ander. Hymen,
godt der bruiloften, verschijnt in de zaal met de gelukkig getroude zielen van de
Roomsche Talassus en zijn Sabynsche huisvrou, om de Bruidegom en Bruidt de
gelukzaaligheidt van d'Echt te vertoonen. De Vreede met haar dochters, Neering,
Rijkdom en Overvloedt, omhelzen Venus, Juno en Merkuur, tot dankbaarheidt van 't
Huwelijk. d'Amstel en 't Y ontfangen de Vechtgooden en godinnen. Maarseveen,
Neerdijk, Diependal, Goudestein en Pijnburg, bestrooien de vloer met maagdepalm.
Bacchus en Ceres, die hier verschijnen, worden door Maatigheidt bestiert. Blijdschap,
Vroolijkheidt, Dartelheidt, Weelde, Kussen, Lonken en Lachen, voegen zich by de
gasten. De neege Muzen, die hier haar Parnassus hebben, speelen en zingen:
Hier blinkt Vernuft en Deugdt, twee goddelijke deelen.
Zoo zagmen Peleus en zijn Thetis braaf van standt.
De Hemel laat dit Paar tot steun van d'Amstel teelen:
Zoo wort de hoop gevoedt van 't vreedtbaar Amstellandt.
Op zulk een grondtvest magh de burger zich verlaaten.
Men heerscht niet voor zich zelf, maar voor zijn onderzaaten.