Nessus, die Deianira schaakt, wordt van Herkules deurschooten: in de zaal van
't huis te Muide, door order van den Eed. Heer P.K. Hooft, Ridder, Drost van Muide,
&c.
De geile Nessus poogt Alcides bruidt te schaaken.
Een dolle minnedrift ontziet geen vuile lust.
Haar schoonheidt doet zijn hart in't koele stroomnat blaaken.
Het minnevuur wordt door geen water uitgeblust.
Keer Nessus, Nessus keer. een die 't geweldt kan temmen,
Lijdt zelver geen geweldt: dies laat de koude vloedt
Uw prikkelende vlam verkoelen in het zwemmen:
Of Herkles zal uw brandt doen blussen door uw bloedt.
Zijn boezem schijnt niet min van wraak dan min te branden.
Hy spant zijn boog en schiet. de pijl, die deur de lucht
Komt snorren, knarst door 't been en girst deur d'ingewanden.
Wie leeuwen dwingt wordt door geen paardehoef ontvlucht.
Het bloedt van Nessus komt uit dubble wonden springen.
Zijn ziel heeft hier, o Hooft! een voor en achteruit.
Hy poogt de pijl, door pijn, weêr uit zijn lijf te wringen.
Hoe grijnst! hoe schreeuwt dit beest! my dunkt ik hoor 't geluit.
Zoo weet men 't schenden van een schaaker te betoomen.
De wraakzucht van een heldt is door geen vlucht t'ontkoomen.