D'elfde
Is achter met ankers, in 't midden en voor met brandende outaaren en wierookvaaten
beschildert. Hare Hoogheit de Princes Maria, gemaalin van Prins Willem de Tweede,
vertoont zich, in een wit satijne tabbert, die met zwart floers overtrokken is: zy heeft
een boek in haar handt. Godtvruchtigheidt, die zy voor haar heeft zitten, leit haar
rechte handt op een boek, dat door twee gevleugelde kinderen geoopent is: de slinke
zwaait een wierookvat. De Hoop verschijnt op d'achterste bank, en heeft een goudt
anker, daar de wapens van Engelandt, Schotlandt en Ierlandt aan vast gemaakt zijn, in
haar arm: hier wordt zy van de Hertogen van Iork en Glocester verzelt.
De droevige Princes, die zich vol vreugdt komt toonen,
Wist alle traanen af, en dankt haar Opperhooft.
De dankbaarheidt verdient de heerelijkste kroonen.
De Hoop, die Englandt heil door Stuarts stam belooft,
Begint te klimmen, om haar krachten te bewijzen.
Het zonlicht daalt in zee om schooner op te rijzen.