Op de schilderij daar Saul zich zelf doorsteekt.
Hier vindt zich Koning Saul in 't midden der ellenden.
Die Godt niet vreesde, vreest zijn vyandts leegerbenden!
Waar loopt hy nu om hulp in 't waglen van zijn Staat?
Ziet hy ter rechte zy, zijn Raadt is zonder raadt.
Went hy zich naar de slink', hy wordt van 't heir verstooten.
Slaat hy 't gezicht om hoogh, de hemel is geslooten.
Ziet hy weêr naar om laagh, het aardtrijk grimt hem aan.
Hy vindt geen spooren dan die naar de hel toe gaan.
Nu wringt hy 't moordtgeweer, dat Wanhoop voor hem smeeden,
Dwars door zijn lenden heen; en baant, ô gruwlijkheeden!
Het moedelooze bloedt, en godtvergeete ziel,
Een dubble wegh. het zwaardt daar 's vyandts heir door viel,
Verwint zijn eigen heer: vervloekt is zulk een zeege.
Hier vloeit geen verf, maar bloedt. het is een staale deege
Daar hy zich meê vermoordt. wie Godt verlaat, en heul
Aan d'afgrondt zoekt, verstrekt zich zelver tot een beul.