Het Kruisdraagen.
Wat galm vervult de lucht? 't is moordtgeschreeuw der Jooden. Men leit het Offerlam, naa dat het duizent dooden Geleeden heeft, ter doodt. de Waarheidt wordt bestreên. De Priester, 't offervuur en d'offerhandt is een. Het waare Paaslam moet zijn eigen outer draagen. Op menschen, helpt, 't is tijdt, op, helpt het kruishout schraagen: De sleutel daar hy 't slot des hemels meê ontsluit. De Nijdt, 't Geweldt, de Moordt en Wreedtheidt gaan voor uit; Zy torsen 't marteltuig, en sleepen hem gebonden: Maar met de ketenen, die gy (ô mensch!) van zonden Aan een geschakelt hebt. d'een steekt hem met zijn hart, De moordtspeer in de zy. een ander, als getart, Begint hem met zijn wil, de nagels deur zijn handen, En voeten heen te slaan. zulk een, om d'ingewanden Van Godt te pijnen, biedt, met zijn vervloekt gemoedt, De galspons aan zijn Heer. hy schijnt in zweetrigh bloedt Te smooren: maar de zon moet duistren om te blinken. Men kan in deeze zee zich godlijk dronken drinken. Men vischt hier parlemoer, ja bloedtkraal en kristal, Daar zich de ziel, hier naa, by Godt meê pronken zal. Zijn hairen rijzen nu dat hy Kalvaar ziet rijzen, En 't hart ontzinkt de moedt. de Zwakheidt doet hem yzen. De Liefde maakt hem heet. in zulk een bangigheidt, Zoo wordt het kruis op d'aardt, en hy op 't kruis geleidt.
Cookies on Poetry Cove