Vermaan en Heyl vvensch tot de Nieuvv Ghetrouwde.
NU dan goet ront goet zeeus en sonder kromme sprongen, Op d'ouwerwetsche wijs eenvuldigh sonder Gal Stel ik mijn Rymery, ik bender toe gedrongen, Ja vaanse Poëzy versta ik niet met al. Met korte reden dan, wil ik 't Gesellchap eeren; Maar twee alleen is 't wit daar hier op wort gedoelt, Die ik voor at begroet, daar ik my toe wil keeren, Holla eer ik begin, eerst eens den Mont gespoelt. Ghy die u groene Jeught vlecht t' samen als de ranken, Soo lieffelijk gekrult, soo vriendelijk verwart, Den Zegen u bestort van die wy moeten danken, En loven alle tijdt en dragen in ons Hart, Den Gever alles goets, den Bou-heer aller dingen, Die alle onse doen heeft steets voor sijn gesicht,
Wil sijn genadich Oogh door Swergh' en Wolken dringen, En stralen in haar Hart sijn Goddelijke Licht, En bouw in haar gemoet syn rechte woort en waarheyt, Syn overgulde Leer, syn soete jok, en last, O Heer, die ghy beschijnt met dees voorseyde klaarheyt, Die woont in u en ghy blijft in sijn Harte vast, Woont dau O groote Godt in dese, die uyt minnen, In dese die uyt Liefd' zyn nu geworden een, Een Lichaam, dubbel Ziel, ook somtyts dubbel sinnen, Dat is tot daar en toe: men weet wel wat ik meen, Des Hemels Borgery laat stadich by u blyven, O wel ghevoeghde Paar: dats, Liefde, Trouw, en Vre, Dat is de Basalisk van twe-dracht en van kyven, Geluckich is het Huys, daar vreed' heeft nare ste, Geluckich is het Huys dat nummer is beslommert Met Slangen broetsel, of, de swarte Helsche nijt, Daar sich soo wel de Man, als ook de Vrouw bekommert, Om Liefdes weder-loon, O lieffelijken strijt! Wat doet de lieve Vrient voor vrientschap syn Vriendinne? Wat doet ook de Vriendin voor vrientschap haren Vrint? Sy dient hem, by haar weer, hy noemtse Coningïnne, Sy heet hem wederom, mijn Heer, mijn Lief, mijn Kint, Sy prijst hem-boven haar en sy wort weer gepresen, Van hem, dat sy in als, veel waarder is als hy, Seyt sy dan wederom, mijn Lief hoe kan dat wesen, Hoor, hoe dat hy af-beelt syn lieve Liefs waardy, Den Man die is gemaakt (seyt hy) van enkel Aarde, De Aarde die wert Vley en eelder door 't gebouw, En 't Vleys word andermaal gepuirt tot grooter waarde, Gepuirt tot daar of quam een overschoone Vrouw', Wiens tedere Natuir genoeghsaam kan uytwysen, Door haar beschaamde Aart vol vrees, vol schaik, vol schroom, Haar groote Achtbaarheyt, die ik niet kan vol prysen, Daar wy zyn rouw en hart, onschamel sonder toom, Siet wat het eene Gout by 't ander sal verschelen, Het weekste heeft de prijs, het slechste dat is hast,
De Vrouw die overtreft de Man in vele delen, Sy lydet vaak verdriet daar hy is sonder smart, Siet hoe sy hobt en tobt, haar hart is vol medogen, Sy stilt haar tere Vrucht die sy sorchvuldich hoet, s' Is Moeder, Voester, Vrouw, wiens Borsten veel vermogen, Waar uyt een Nectar vloevt dat kleyne menschen voet, Och! oft ghy met u tween gestadich soo krackeelden, Eersame Bruydegom met dijn eerwaarde Bruyt, Dat zy u als een Heer, ghy haar als Voocht af-beelden, Daar sulken Oorloch is, verkrijghtme schoone buyt, Godt geef 't geschie alsoo, gewis hy sal 't soo voegen, Soo ghy u selven voeght tot hem met goet op-set, Voeght Godt den mensch te saam, hy voeght ook het genoegen, Indien gh'u voeght tot hem gestadigh in 't Gebedt. De nummer staande tydt gebiet my in 't besluyten, En seyt, wenscht desetwe 't luk dat ghy wenschen kunt, Dies wensch ik u te saam, O Nieuw Gehouw de Spruyten, Alsulken spoet en heyl, als ghy u selven gunt.
Tot de Genoode. FEest-genooden alle-gaar, Wenscht als ik, dit lieve Paar, Soo veel voorspoet en zeghen Als yemant heeft gekreghen Van Godt der Goden Over-Heer, Dat jon ik haar en ook niet meer, Is dat ut vvenschen t'samen, Soo segghet daar op Amem.
Cookies on Poetry Cove