't Vier-en-dartichste zinne-beeldt. Stemme: Dat Venus jonghen dus is gheschendt.
GHy Martis Knechten, Bedenk u leet, Ghy die tot vechten, U tijt besteet, Meest ande geen, Die u misdeen, Nooyt jet, En brengt haar of a selven in't verdriet.
Wanneer de Trommen Slaan dobbe dop, Dan moet ghy commen, Dan moet ghy op, En gaan ter wacht, 'tZy dagh of nacht, 'tSa voort, Op straffe vande wip of vande koordt.
Op vrye wallen, Ter wacht te staan, Dat's niet met allen, Dat's speulen gaan, Schoon strenge locht, Of koele vocht,
U knelt. Dat is maar om het jok de Spies gevelt,
Flok rep u beenen, Draagh a gheweer, Daar trektmen heenen, In't warme weêr, In't ys ren kleedt, Verdorst besweet. Te veldt, Dat u de Son by-na van hette smelt.
Door diepe weghen, En wellendt sant, Door windt en regen, Door moerigh landt, Door dun en dik, Door kley en slik Hoe week, 'tIs spoedt u, voort, of krijght een Jagers-streek.
Op straf van't hanghen Werdt u gheboôn, Geen Boer te pranghen, Noch Vee te doôn, Vaak mennigh knaap Worde' om een Schaap Ghestrikt En schandigh door de Beul in't bloedt gestikt.
Het Lont-recht luystert, Daar op een prik, Flok ist gekluystert, Of ande wip,
Vaak eer ghy 'tweet, Werdt ghy dit leet, Ghewaer, Of raakt om hals, of staat in 'slijfs gevaer.
'kWil niet verhaalen, Al 'skrijghs bederf, Van snoode quaalen, Van houw en kerf Noch van ellendt Of hoe gheschendt, Verlamt, En hoe mismaakt het aensicht wert geschramt,
Hoe ghy gheschonden, Mishandeldt werdt, Het lijf vol wonden, De Ziel in smart, Wat ziekte' en zucht Wat onghenucht U naakt, Moet om de kortheyts wille syn gestaakt.
Dies wil ik treeden, Op d'eerst baan, En u ontleeden Met kort vermaan, Wat dat u deert, Ghy-die voeteert, Of rijt Ghy die of Ruyter ofte voet-knecht zyt.
Laat u ghelusten Tot onghemak.
Onveyligh rusten Veer buyten dak U kleedt dat dunt Hebt weynigh Munt En koft, En 'tafgesloofde lijf is kaal gedost.
Dies leytme laaghen, Den armen Boer, Die gaatme plaagen, Schaf op ghy loer, Flok kost en geldt, Men vloekt en scheldt, En slaat, En raaft moet-willigh vol van overdaadt.
Alsulken Vegĕr Raakt vaak in ly, Als 't Grof van 't Leger, Wat is voor-by, En sich vergift, 'tZy inde kist, Of kast, Dan nood't den Boer op stok-vis synnen gast.
Dan is verlooren, De dolle kans, Die van te vooren Was soo veel mans, En sulken Baas, Is nu een Haas, In't net, En vande Boeren rondtsom wel beset.
In plaatsz van't snorken Ist, lieven Heer, (Want huysmans Vorken, Is quaat gheweer,) Dan roeptme sla, Met schop en spa, En speer, Met vlegels, grepen en veel dingen meer,
'tEn baat noch vleyen Noch gheen gheklagh Van 'sKrijghers schreyen Groeyt Boere-lach Hoe meer hy krijt, Hoe meer men smijt En beukt, En wordt geklouwt al daar't hem niet en jeukt.
De Boere slaaghen Op 'sKrijghers romp Syn swaar om draaghen, Al synse plomp, Op eene plaatz, Slaan sulke maats, Twe-maal, Die't heeft geproeft verbeter myn verhaal-
Ghy Martis knechten. Bedenk u leet, Ghy die tot vechten, U tijt besteedt, Meest ande gheen, Die u misde'en, Nooyt jet, En brengt haar of u selven in't verdriet.
Cookies on Poetry Cove