Skip to content
1642

Zinne-beelden, oft Adams appel

Jan Veen

Den Geestelijken Harder.

ONtwaakt, ontwaakt, ontwaakt, Den dagheraat ghenaakt, In 't Gosten sietmen bloosen Des Hemels roode Roosen, Den frisschen morgen stont, Met haar couralen mondt, Met haat robijnnen kaken, Omhanghen met scharlaken, Verganghen is den nacht U leytsman staat en wacht U Harder u behoeder, Wil u verschaffen voeder, Treet uyt u donck're stal, Ghy kleyn en grooten al. Het is te langh geslaapen, Vervoeght u by myn Schaapen, Myn uytverkooren schaar, Ik ga, kom volgh my naar, En ik sal u gheleyden In lieffelijke weyden, In lieffelijk ghewas, In 't klaverighe gras,

By soete water-beken, Gansch niet sal u ghebreken, En dwaalt niet vanden pat, (Al is hy smal en glat,) Ter recht of slinker zyden, Want ik wil u bevryden, Vertroosten inden druk, Van eeuwigh ongheluk Sal ik u wel behoeden, Om niet wil ik u voeden, Met leevendighen drank, In eeuwigheden lank, En sal gheen dorst u schaden, Mijn drank is van ghenaden, Mijn spyse Hemels zaat, Geen soete honigh-raat En is daar by telijken, Wilt u daar mee verrijken, Dit wordt u angheboo'n, Gheen Cepter noch te Croon, Alhier op deeser aarden, En is van sulker waarden, Dus luyster na myn woordt, Bewaar het gheen ghy hoort, Kies voor de doodt het leven, Het zal u zyn ghegheven, Des zyt ghy uytten noot, En leeft al waart ghy doodt.

HEt Gheestelijk voor al is noodigh te betrachten, Het tydelijk vergaat, het eeuwigh moetmen achten, Het eeuwig'is een stijl daar 't ydelijk by bestaat, Den vroomen sachmen nooyt gaan beed'len by de straat, Wee die het tyd'lijk mint, wee dwase slechtigheydt, Soek Godes rijk voor al en syn gherechtigheydt, En wat u is van nood' dat werd tu toe gheworpen,

Wat baat de heerschappy van Landen, Steden, Dorpen? Wie eettet meer als zat, wat kanmen voor de kouw', Sich dossen meer als wel in 't w ol, in 't bont, in 't rouw', Niet op de Fransche wijs met lange sne'en door-hackelt, Wel eertijts doe ik eens myn trouwtjen had verquackelt, En past' ik op geen munt, noch op geen Cresus flijk, Ho, ho, my docht ik was Graaf Maurits veel te rijk, 't Genoegh is meer als veel, niets over-treft 't genoegen, Soo-danen rijkdom wil den Heer u beyde voegen, De rijkdom en bestaat ook niet alleen in 't goet, Maar inde telingh of vermeerderingh van bloet, Dies teelt dan met u tween soo veele erfgenamen, Gelijk ik by geschrift alhier u stel met namen:

GRietje, Pietje, Iaapje, Ioris, Lijsje Gijsje, Fransje, Floris, Neeltje, Beekje, Claas, en Trijn, Dat is effen een dosijn, Sulke twalef Olijf-spruyten, Souden wel een moes-pot snuyten, Met syn smerigh inghewant, Dat sich Va'er noch Mo'er en brant, 't Mach wel heeten Disch vercieren, 'k Eet veel liever met myn vieren, Neen die hooverdy is krank, Langh van sop maakt schralen drank, En veel varkens dunne spoelingh, Groot ghesin, geeft groote woelingh, Doch wat Godt den Heere doet, Moetmen houden staagh voor goet.

VAert wel geboeyde twee, die op den dagh van heden, Gemaakt hebt een verbont met hand' en mont, om reden, Dat onsen Bruydegom wou myden geyle brant, En onse Bruyt om hem te helpen in dien stant, Vaart wel, seg' ik, vaart wel, Godt wil u beyde t'samen Ghebenedyen hier, ook eeuwighlijken, Amen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Zinne-beelden, oft Adams appel · Jan Veen · Poetry Cove