Thalia.
De min die is somvvijl soo groot,
Dat die derf strijden met de doodt.
HOe dorst Tobias inde minne roese-moesen,
Hy vraaghde na geen doot, hy pasten op geen droesen,
Doen hy sijn Sara sach, heeft hy misschien gedacht
By sulken Engeltjen en heeft de Droes geen macht,
Daarom o Bruydegom en wilt toch niet vertsagen,
Want Sara kan den brandt en spokery verjagen.