Skip to content
1642

Zinne-beelden, oft Adams appel

Jan Veen

Tot de Leugen-schelders.

WEl, wel, hoe dus, hoe dus, sus, sus, al sacht goen mannen, Hoe kruyst en krast ghy soo will ghy de Duyvel hannen, Wat, wat dit loop te hooch ey lieve laet u ra en, Hoe braakt en beirt ghy dus wie heeftet u gedaan? Wie heeft u dus verstoort? wie heeft u dus beseren? Wie heeft u dus beroen? wie heeft de Lever geven? Hoe rammelt u het lijf, hoe bortelt u het bloet, Hoe reutelt u de borst, hoe vol is u de moet, Hoe strengh is u gesicht, hoe vlammen u de oogen, Hoe groen is u de mont, wat hebt ghy gal ghespogen,

Foey, foey, 't is in al te grof, hout doch de snater toe, Wert Jan-Oom dit gewner, hoe wil hy met de roe, Hoe will hy mette gard' u paddich lijf aftouwen, Dat ghy het hart, de tongh, en lever meent te spouwen, Wie ist? Jan vander Veen, die ghy al 't quaat toe wenst, Hoe na en heeft hy niet in uwe stack verhenst? Of heeft hy wat uyt jok geboertet of geschreeven? Dat ghy daarom den bloet soo schandich hebt beleven, Soo 't eenmaal versteft als of den armen kroes, Kreech botter in de pap, en water in het moes, Gingh bartenvents te bed, (eykas! wat smaarder ly'on) U kinderlijk ghedreych kan fottelyk castyen, En schricken 't jonghe volk met uwen bullebak, Maar of ik voor de man een voor ten besten sprak, Verhoop, dat ghy my dat niet qualijk af sult nemen, 'k En wil niet doen als ghy die niet en doet als te men, Die niet en doet als roept met eenderley geluyt, Ghy esel, uyl, ghy fiel, ghy lompen plompen guyt, En hondertmaal verniuwt dan eenmaal is gesproken, Dan 't heeft u an 't verstant, niet an de wil ontbroken, U Koek-koekt toon en sang' betuyget en verklaart, Dat ghy gesprooten zyt van dese vogels aart, 't Is altyt 't oud en 't selfd, het geen ghy hem to spot geeft. Hoe meerder dan gheseyt, hoe minder dat het slot heeft. Ghy maakt een groot ghetier in traghen arrebeyt, Soo doen de Esels ook, dat is genoech gheseyt, Ook zyt ghy onder 't Juk de Spaansche wreede Specken, Dies zyt ghy wel te recht Marnansche Esel geeken, U schimp is sonder vrucht us schelden sonder baat, De Esel die ghy sondt weerom na Brabant gaat, Maar harsseloos ghespuys, ontbroyn de hol'e bolten Ontmenscht Ulisses volk, wie mach u soo bekolsen Dat ghy (die ummer vroet in 't alder-vuylste vuyl) Die d'Arent is ghelijck durst schelden voor een Uyl, Die mint de sonne-schyn die bakert inde stralen, Die met verheven kruyn derf synen naam verhalen,

Die wandelt openbaer, en niet geheym in stilt, 't En waar allen voor u die hem vermoorden wilt Kom laat ons nu besien wie dat den Uyl sal wesen, Hy die het licht bemint, of die het schijnt te vresen, Verklaart u ghy als, hyt met namen en bediet, Maar neen, 't is veer van daar de Uylen doen dat niet, Sie daar, daar vliecht den Uyl, den Uyl die moet verhuysen, En keert van daar hy quam by snode Vledermuysen, O dwasen speurt ghy nu hoe dat ghy u verkalt, Hoe hoger dat ghy klimt hoe leger dat ghy valt, Wat hebt ghy nu gemaakt, wat hebt ghy angevangen? Een galge van geschrift om selver an te hangen, De pylen die ghy hebt geschoten opwaarts an. Die zijn recht ne' er gedaalt op uwe harsen pan. U tong is rauw, u keel is heesch, van Fiel te seggen, 't Sop is de kool niet weert om dat te weder-legghen, De vloek gaat na sijn hoek soo 't oude spreek-woort seyt, Onnodich al u roet met honich weder-seyt, De peirlen van ons Landt, de wel geboren zielen, De seggen wat gefiel is dit, van't slijm de fielen, Heeft dit het Brabants puyk soo aardichlijk bedacht. Dan volghter ha, ha, ha, en ghy wort uyt gelacht, Ghy heet hem leugenaar, dat zijn wy alte samen, Ghy lieget met voor- dacht, des heelt ghy uwe namen, Is dat leughen spreeckt, dat comt uyt anders mondt, De leughen zijn ghewis moet willich niet en wondt, 't Antwerpsche spel van den Prince, Ghy seght dat hy het Spel heeft uytten duym gesogen, Dat's ummer bol en dik en tastelijk ghelogen, Wat heeft hy meer gedaan als wat in Rijm gestelt. Dat hier gantsch, Ne erlandt deur voor waarheyt wort vertelt, De vroomste die daar leeft die kanmen soo bedriegen, Die seyt van darmen seyt, dat houtment voor geen liegen, En of ghy 't schoon verstraft en schendichlijck verdooft. Soo wert het noch voor waar van duysen den gelooft, Van veelen noch gehoort van sommige geswooren, En ghy allen zijt doof en hebt soo groote ooren,

Men seyt het is gespeelt maar niet in 't openbaar, Ghehemyt het soo ghy wilt, men seyt 't is lijkwel waar, Ist waar of is it gejokt, 'k en wilt niet gaan bekijken, Het quaat wort licht vermoet van u of uw's gelijken, Al draaght ghy-uwen roem dat ghy soo suyver zijt, En nummer eenich Prins geeft spottelijk verwijt, En niet er zijt gewoon daar grillen van te speulen, Wat hebben toch gedaan u Broeders binnen Ceulen, Van onsen Palatijn, of ist een misverstant,Na 't verlies van Prage. Daar werdt hy af-gebeelt als platter achter landt. En hadde aen den arm een Rotterdamschen degen, Eng gingh soo huys by huys ghelijk de sulke plegen, Hem volchde sijn Gemaal, met sak, met pak, met kint, Beroyt, verscheurt, besmeert: of is dit ook al wint, Of weet ghy niet van, soo wilter na vernemen, En ook hoe dat hy spooch de Croone van Bohemen,Af-ghebeelt op een wijnvat, daar hy de Croone spoogh. Dan doch sy laten 't nu, het spelen sijn sy moe, Het schijn sy heben daar al vry wat reden toe, Ick laat om kortheyts wil meer daden te beschrijven, Laat Ceulen Ceulen sijn, wy willen by u bijven, Men sal ook op u doen, eens doen recht ondersoek, En halen 't oud' en 't nieuwe' te samen uytten hoek, Laat sien wat isser meer, dat dese lichte spreeuwen, Met eenderley geraas begapen en beschreeuwen, Beknorren met geknars, en krijten gantsch ontstelt, Dat vander Veen, op al d' Antwerpsche vrouw Dat noyt in sijn gedacht of hart en is gecomen, Wiens penne min of meer geeft luyster ande vromen, Een eere diese comt, een geessel ande qua en, En straft na sijn vermooch die slimme paden gaan, Hy heeft allen geroert de spelende Rabouwen, Haar Kinders en [g]eslacht, haar Moeders ende Vrouwen, De vruchten leeren ons bekennen Lot en Boom, Het werk dat onderscheyt het quade nyt het vroom, Gemeenlijk snoode aert sal snoode vruchten telen, Het boose dat gelust met sijns gelijk te spelen,

Dies heeft hy niemant als dit Ravot verucht, Gevonnist uyt haer doen haar vrinden en geslacht, Geen wel gheslepen breyn en sal dit anders duyden, Waaron by u, als hier, geen goe en quade luyden, Nu meent ghy datmen vleyt, o moen dat heeft geen no ot, w' En achten u niet meer als varsch gegeten broot, Genoech genoech daar van, laat ons te recht gaan stellen, Dees' quidams man voor man, en dan een oordeel vellen,

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Zinne-beelden, oft Adams appel · Jan Veen · Poetry Cove